Meer weten?

Publicaties

Het initiatief van de Koloniën van Weldadigheid bracht in het begin van de negentiende eeuw een stroom aan nationale en internationale publicaties op gang, die illustreert hoe uniek en waardevol veel tijdgenoten het project vonden. Niet alleen tijdgenoten, maar ook mensen in latere perioden hebben uitgebreid over de Koloniën geschreven. In deze bibliografie zetten we de belangrijkste primaire en secundaire publicaties op een rij. Er is zoveel mogelijk geprobeerd om per publicatie een link op te nemen, zodat je de tekst ook digitaal kunt raadplegen. Lees en leer over de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid, de gang van zaken binnen de zeven Koloniën en de problemen waar de Maatschappij uiteindelijk mee kampte.

 

Primair

Primaire publicaties worden geschreven door mensen die direct met een bepaalde gebeurtenis, persoon of periode te maken hebben gehad. Een primaire publicatie komt dus uit de periode waarover wordt geschreven, is niet later samengesteld en bevat vaak nieuwe informatie. Enkele voorbeelden van dergelijke bronnen zijn tijdschriftartikelen, rapporten en verslagen.

Denken over armoede

Diverse experts op het gebied van het armenwezen waren betrokken bij de stichting van de Maatschappij van Weldadigheid. De studie Geschiedkundige nasporingen omtrent den toestand der armen en de bedelarij uit 1816 van J.C.W. Le Jeune was een belangrijke inspiratiebron voor Johannes van den Bosch. Een jaar later startte C. Vollenhoven met het Magazijn voor het Armenwezen, waarin hij diverse internationale artikelen over armen- en gevangenenzorg verzamelde. In de periode van 1816 tot 1820 bracht de arts C.J. Nieuwenhuijs de vierdelige Proeve eener geneeskundige plaatsbeschrijving (topographie) der stad Amsterdam uit. Het stuk over Almoeseniers Weeshuis speelde met name een grote rol bij de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid.

Jeune, J.C.W. Le. Geschiedkundige nasporingen omtrent den toestand der armen en de bedelarij. ’s Gravenhage: A.J. van Weelden, 1816.

Nieuwenhuijs, C.J. Proeve eener geneeskundige plaatsbeschrijving (topographie) der stad Amsterdam: Eerste t/m vierde deel. Amsterdam: 1816-1820.
Deel 1
Deel 2
Deel 3
Deel 4

Vollenhoven, C. Magazijn voor het armen-wezen in het Koningrijk der Nederlanden. Leiden: D. Du Mortier en Zoon, 1817-1818.
Deel 1 (1817) 
Deel 2 (1817)
Deel 3 (1817)
Deel 2 (1818)

Oprichting Maatschappij van Weldadigheid

In 1818 richtte Johannes van den Bosch met anderen de Maatschappij van Weldadigheid op. Eind 1817 was er al een Provisionele Commissie van Weldadigheid opgericht die de voorbereidende werkzaamheden voor de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid zou verrichten. Het bestuur van de Maatschappij zou uiteindelijk bestaan uit een Commissie van Weldadigheid, een Permante Commissie en een Commissie van Toevoorzigt. Deze commissies en Johannes van den Bosch zelf brachten documenten uit over de doelstellingen en totstandkoming van de Maatschappij.

Algemeen verslag der Provisionele Kommissie ter vergadering van de Kommissie van Weldadigheid voorgedragen, binnen ’s Gravenhage, op den 22 Junij 1818. ’s Gravenhage/Amsterdam: Gebroeders van Cleef, 1818.

Bosch, J. van den. Verhandeling over de mogelijkheid, de beste wijze van invoering, en de belangrijke voordeelen eener algemeene armen-inrighting in het Rijk der Nederlanden, door het vestigen eener landbouwende kolonie in deszelfs noordelijke gedeelte. Amsterdam: Johannes van der Hey, 1818.

Bosch, J. van den. De la colonie de Frederiks-oord et des moyens de subvenir aux besoins de l'indigence par le défrichement des terres vagues et incultes: traduction d'un manuscrit du général-major Van den Bosch par le baron De Keverberg avec une préface du traducteur, vert. Baron De Keverberg. Gent: J.N. Houdin, 1821.

Bosch, J. van den. Ontwerp van kultuur en febrijkatie in de koloniën van de maatschappij van Weldadigheid, 1836.

Bosch, J. van den. Verhandeling over de inrichting van de Landbouw, de arbeid en de adminstratie in de Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid, 1836.

Bosch, J. van den. Toelichtingen van eenige aanmerkingen betrekkelijk de Maatschappij van Weldadigheid, 1841.

Ontwerp tot verbetering van den toestand der noodlijdenden, gevangenen, bedelaars, enz. Door middel van den landbouw; nuttige verbeteringen in den waterstaat onzes lands; waardoor jaarlijks de uitgaven van ‘s lands schatkist, zoowel als de giften der ingezetenen, aanmerkelijk kunnen verminderd, en tot betere doeleinden gebezigd worden. Amsterdam: Johannes van der Hey, 1818.

Permanente Kommissie. Verzameling van reglementaire en organieke wetten en verordeningen der Maastchappij van Weldadigheid voorafgegaan van eene ophelderende inleiding. Amsterdam: Johannes van der Hey, 1820.

Permanente Kommissie dier Maatschappij zelve. Beoordeling en wederlegging van de vlugtige waarnemingen omtrent de ondernemingen der Maatschappij van Weldadigheid in de noordelijke provinciën van het Koninkrijk der Nederlanden. Amsterdam: Johannes van der Hey, 1828.

Provisionele Commissie van Weldadigheid. Reglement voor de Maatschappij van Weldadigheid. 2e druk ’s Gravenhage/Amsterdam: Gebroeders van Cleef, 1818.

Nationale aandacht

De Maatschappij van Weldadigheid kreeg veel nationale, zowel positieve als negatieve, aandacht. J. van Konijnenburg, directeur van de Maatschappij van 1829 tot 1859, en A.F. Eilerts de Haan, predikant, publiceerden regelmatig en positief over de Maatschappij. Er waren echter ook auteurs zoals W. Thorbecke, B.A.D. Wardenburg, W.C.H. Staring en J.K.W. Quarles van Ufford die kritische kanttekeningen bij de Koloniën plaatsten. Schrijvers reageerden vaak uitgebreid op elkaars publicaties wat ook zichtbaar is in onderstaande publicaties.

Eilerts de Haan, A.F. De Noord-Nederlandsche Landbouwkoloniën: Eene studie over de Maatschappij van Weldadigheid. Amsterdam: D.B. Centen, 1872.

Eilerts de Haan, A.F. “Is de Maatschappij van Weldadigheid eene instelling van armenzorg?” In De Gids 38, no. IV (1874): 1-26.

Eilerts de Haan, A.F. De Rijksgestichten te Ommerschans en Veenhuizen. Amsterdam: 1875.

Fabius, F.W. De Maatschappij van Weldadigheid, in hare werking, strekking en geldelijke toestand. Amsterdam: 1841.

Gerlach, J.W.R. De vrije landbouwkolonien der Maatschappij van Weldadigheid te Frederiksoord, Willemsoord en Wilheminaoord. Amsterdam: 1884.

Konijnenburg Cz, J. van. Land-ontginning: Een middel tot wering der armoede. Leiden: Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen: 1850.

Konijnenburg Cz, J. van. “De proefhoeve te Wapserveen, geschetst in een rede voor eenige leden van het genootschap voor den landbouw in Drenthe.” Tijdschrift ter bevordering van nijverheid II, no. I (1853): 40-47.

Konijnenberg Cz, J. van. Beschrijving van den landbouw in de Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid te Veenhuizen. Assen: 1854.

Konijnenburg Cz, J. van. De toestand van de vrije koloniën en het instituut te Wateren, bij de afscheiding der gestichten van de goederen der Maatschappij van Weldadigheid in 1859. Meppel: H. ten Brink, 1859.

Staring, W.C.H. en J.K.W. Quarles van Ufford. De Koloniën der Maatschappij van Weldadigheid in 1846. Arnhem: C.A. Thieme, 1847.

Wardenburg, B.A.D. Vlugtige waarnemingen omtrent de ondernemingen der Maatschappij van Weldadigheid in de Noordelijke Provinciën van het Koninkrijk der Nederlanden. Coevorden: D.H. van der Scheer, 1828.

Internationale aandacht

Het initiatief van de Koloniën van Weldadigheid bracht in het begin van de 19de eeuw een stroom aan internationale publicaties op gang, die illustreert hoe uniek en waardevol veel tijdgenoten het project vonden. Het vergroten van het landbouwareaal en de zelfvoorziening, armoedebestrijding, de maakbare mens, de sociale rol van burgerlijke elites en de Staat waren thema’s die al voor de publicatie van Johannes van den Bosch in de belangstelling stonden. Johannes van den Bosch bracht een aantal van deze innovatieve ideeën samen in zijn plan voor de Koloniën van Weldadigheid.

A handbook for travellers on the continent being a guide through Holland, Belgium, Prussia and Northern Germany and along the Rhine, from Holland to Switzerland. 2e druk Londen: John Murray and Son, 1838.

An account of the poor-colonies and agricultural workhouses of the benevolent society of Holland by a member of the Highland Society of Scotland. Edinburgh: Peter Brown, 1828.

Bigot de Morogues, P.M. S. Du paupérisme, de la mendicité et des moyens d’en prévenir les funestes effets. Parijs: P. Dondey-Dupré, 1834.

Carlile, W. The continental outcast: land colonies and poor law relief. London: T. Fisher Unwin, 1906.

Colquhoun, P. A treatise on indigence: Exhibiting a general view of the national resources for productive labour; with propositions for ameliorating the condition of the poor, and improving the moral habits and increasing the comforts of the labouring people. London: J. Hatchard, 1806.

Demetz, F.A. Fondation d’une colonie agricole de jeunes détenus Mettray. Parijs: Benjamin Duprat, 1839.

Ducpétiaux, E. Colonies agricoles, écoles rurales et écoles de réforme pour les indigents, les mendiants et les vagabonds. Brussel: Th. Lesinge, 1851.

Eugène de Monglave, M. Des colonies de bienfaisance dans le Royaume des Pays-Bas. Parijs: 1830.

Fliedner, T. Collectenreise nach Holland und England nebst einer ausführlichen Darstellung des Kirchen-, Schul-, Armen- und Gefängnisswesens beider Länder, mit vergleichender Hinweisung auf Deutschland, vorzüglich Preussen. Essen: G.D. Bädeker, 1831.

Gérando, M. De. De la Bienfaisance publique. Parijs: Jules Renouard et Cie, 1839.

Henderson, C.R. Outdoor Labor for Convicts: A report to the governor of Illinois. Chicago: 1907.

Huerne de Pommeuse, M.L.F. Des colonies agricoles et de leurs avantages. Parijs: Madame Huzard, 1832.

Lurieu, G. De en H. Romand. Études sur les colonies agricoles de mendiants, jeunes détenus, orphelins et enfants trouvés Hollande-Suisse-Belgique-France. Parijs: Dusaco, 1851.

Mills, H.V. Poverty and the State or work for the unemployed. London: Kegan Paul, 1889.

Moore, H.E. Back to the land. London: Methuen and Company, 1893.

Report from His Majesty’s Commissioners for the inquiring into the administration and practical operation of the poor laws: Appendix (F) Foreign Communications. Londen: 1834.

Villeneuve Bargemont, J.P.A. De. Économie politique chrétienne, ou recherches sur la nature et les causes du paupérisme en France et en Europe et sur les moyens de le soulager et de le prévenir. Brussel: Meline, 1837.

Wimmer, C. Beschreibung einer Reise duch das Königreich der Niederlande welche auf Veranlassung des landwirthschaftlichen Vereins in Bayern gemacht worden von Samuel von Grouner, ehmaligen Oberberghauptmann. Passau: Friedrich Pubet, 1826.

Tijdschriften en jaarverslagen

De Maatschappij beschikte over een geoliede communicatiemachine en liet op het vlak van promotie niets aan het toeval over. De Maatschappij van Weldadigheid had bijvoorbeeld een eigen periodiek. Zo verscheen in de noordelijke Nederlanden van 1819 tot 1826 het maandblad De Star, van 1827 tot 1842 het tijdschrift De Vriend des Vaderlands en van 1865 tot 1908 het jaarboekje Erica. De titel was aanvankelijk Jaarboekje der Maatschappij van Weldadigheid en veranderde in 1875 in Erica. In de zuidelijke Nederlanden werd de Franstalige Le Philantrope uitgegeven. De bovenstaande uitgaven hadden als voornaamste doel om in brede kring belangstelling te wekken voor de Maatschappij van Weldadigheid en de lezers te informeren over het reilen en zeilen van de koloniën.

Secundair

Secundaire publicaties worden geschreven door mensen die niet direct met een bepaalde gebeurtenis, persoon of periode te maken hebben gehad. Deze publicaties worden in een andere, latere tijd geschreven en bouwen voort op informatie die eerder is opgeslagen in primaire publicaties. Enkele voorbeelden van dergelijke bronnen zijn encyclopedieën, handboeken en bibliografieën.

Historische context

Het Koninkrijk der Nederlanden was in het begin van de negentiende eeuw een sterk verarmd en vervallen land. Het aanzien van de steden werd bepaald door werkloosheid, armoede en bedelarij en ook op het platteland zwierven grote groepen bedelaars. Niet eerder werd er in de Nederlandse geschiedenis echter zo intensief gedebatteerd over een groot aantal voorstellen om de samenleving te veranderen. Onderstaande publicaties gaan in op de staatkundige vorming van Nederland, de sociaaleconomische omstandigheden in de steden en op het platteland en de oplossingen die hiervoor werden aangedragen.

Kloek, J.J. en W.W. Mijnhardt. 1800: Blauwdrukken voor een samenleving. Den Haag: Sdu Uitgevers, 2001.

Medema, G.H. ‘’Om van een grote overlast en van leeggangers bevrijd te zijn: De bouw van stedelijke armen- en werkhuizen in de 18de eeuw.” Historisch Tijdschrift Holland 42, no. 3 (2010): 206-221.

Soëtard, M. “Johan Heinrich Pestalozzi (1746-1827).” Perspectivas: revista trimestral de educacion comparada XXIV, nos 1-2: 299-313.

Woud, A. van der. Koninkrijk vol sloppen: Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw. Amsterdam: Bert Bakker, 2010.

7 Koloniën

De Koloniën van Weldadigheid zijn zeven landbouwkoloniën uit de vroege 19de eeuw. Zij liggen verspreid in het voormalige Koninkrijk der Nederlanden: vijf in het huidige Nederland en twee in België.

I. Frederiksoord, II. Wilhelminaoord en III. Willemsoord

De Maatschappij van Weldadigheid stichtte vanaf 1818 op de grens van de provincies Drenthe, Overijssel en Friesland aanvankelijk zeven vrije Koloniën, met in totaal ongeveer 400 koloniewoningen waarin gemiddeld zeven bewoners leefden. Bij een herindeling in 1825 werden ze samengevoegd tot drie: Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord. Behoeftige gezinnen werden door lokale afdelingen van de Maatschappij vrijwillig naar de koloniën gezonden. Het regime was licht.

Kloosterhuis, C.A. Geschiedenis van het Huis Westerbeek te Frederiksoord. Frederiksoord: Stichting Maatschappij van Weldadigheid, 1975.

Kloosterhuis, C.A. De bevolking van de vrije koloniën der Maatschappij van Weldadigheid. Zutphen: De Walburg Pers, 1981.

Schackmann, W. De proefkolonie: Vlijt, vaderlijke tucht en het weldadig karakter onzer natie. Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2006.

IV. Ommerschans

De onvrije Kolonie in Ommerschans is de eerste in de reeks van Koloniën waar bedelaars en landlopers werden ondergebracht en gedwongen tewerkgesteld. In 1819 werd het gebied door de Staat ter beschikking gesteld aan de Maatschappij van Weldadigheid om er een onvrije Kolonie te vestigen, die bovendien als strafkolonie voor de vrije Koloniën dienstdeed. De onvrije kolonie werd in 1890 opgeheven en vervangen door een rijksopvoedingsgesticht voor jongens, Veldzicht. Er werden een land- en tuinbouwopleiding gestart en nadien kwamen er ambachtsopleidingen bij. Veldzicht is vanaf 1933 tot voor kort in gebruik geweest als tbs-instelling.

Schackmann, W. De bedelaarskolonie: De Ommerschans, het eerste landelijk gesticht voor luilevende armen. 2e druk Amsterdam: Olympus, 2016.

V. Wortel-Kolonie en VII. Merksplas-Kolonie

In 1821 werd nog vóór de stichting van de onvrije koloniën Ommerschans en Veenhuizen de Maatschappij van Weldadigheid ook in de zuidelijke provinciën van het koninkrijk opgericht. De doelstellingen waren vrijwel gelijk aan die van de Maatschappij in het Noorden: het verheffen van arme burgers door het in cultuur brengen van braakliggende terreinen. In 1822 werd de vrije landloperskolonie te Wortel gesticht. Na verloop van tijd bleek het ook noodzakelijk om een onvrije kolonie op te richten. In Merksplas werd vanaf 1823 gebouwd aan deze kolonie. In 1870 werden beide als ‘rijksweldadigheidslandbouwkoloniën’ eigendom van de Belgische staat.

Horsten, T. Landlopers: Vagebonden, verschoppelingen en weldadigheidskolonies. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2013.

Ruts, S. “Wortel-Kolonie: Maatschappelijke en ruimtelijke aspecten.” In HOK Jaarboek 1997, ed. Herman Faes, 5-120. Baarle-Nassau: Drukkerij Em. De Jong, 1997.

Vercammen, R. “Een groot ‘bedrijf’ in een klein dorp? De ‘verstedelijking’ van de rijksweldadigheidskolonie te Merksplas (1870-1910).” In Werken aan de stad: Stedelijke actoren en structuren in de zuidelijke Nederlanden 1500-1900, Margot de Koster e.a., 157-169. Brussel: VUBPRESS, 2011.

VI. Veenhuizen

In 1822 werd er een onvrije kolonie gesticht in Veenhuizen. In drie grote gestichten werden zowel landlopers, wezen en weduwen ondergebracht. In 1859 werd de kolonie overgenomen door de Nederlandse Rijksoverheid vanwege financiële moeilijkheden binnen de Maatschappij van Weldadigheid. Tien jaar later werd de zorg voor vondelingen en wezen afgestoten. In de Kolonie waren voortaan alleen nog bedelaars welkom. Dit besluit markeert het begin van de verschuiving van kolonie naar strafinrichting. Het toenemende penitentiaire karakter leidde ertoe dat in 1875 het ministerie van Justitie het beheer over Veenhuizen overnam. De kolonie kreeg later een functie als rijkswerkinrichting.

Berends, R. e.a. Arbeid ter disciplinering en bestraffing: Veenhuizen als onvrije kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid 1823-1859. Zutphen: De Walburg Pers, 1984.

Jansen, S. Het pauperparadijs: Een familiegeschiedenis. Amsterdam: Uitgeverij Balans, 2008.

Meester, M. Koloniekak. Beilen: Stichting Het Drentse Boek, 2012.

Schackmann, W. De Kinderkolonie: Tot een werkzaam leven opgeleid, de wezen van Veenhuizen (1824-1859). Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2016.

Vries, G.E. de. Honderd jaar gemeenschapsregime in Esserheem Veenhuizen 1895-1995. Arnhem: Gouda Quint, 1995.

Woud, A. van der, Elerie, J.N.H. en A.H. Huussen jr., eds. Veenhuizen: Een erfenis voor de toekomst. Groningen: REGIO-PRojekt, 1994.

Land- en tuinbouw

In Frederiksoord werd voor het eerst op grote schaal een innovatieve landbouwmethodiek toegepast, die op revolutionaire wijze verschilde van de toenmalige landbouw op de Noord- en Zuid-Nederlandse zandgronden. De methodiek was gebaseerd op ideeën van landbouwkundige theoretici die tot die tijd in de praktijk weinig of geen weerklank hadden gevonden, maar die in de landbouwreglementen van de Maatschappij van Weldadigheid waren vastgelegd. Hoe groot de ambities waren blijkt uit het feit dat de Maatschappij van Weldadigheid in 1823 een Landbouwkundig Instituut opende in Wateren, gevolgd door tuinbouwscholen in Frederiksoord en Willemsoord, en een bosbouwschool in Frederiksoord.

Dorgelo, J.D. “De eerste landbouwschool in Drenthe.” In Nieuwe Drentse Volksalmanak, eds. G.A. Bontekoe e.a., 23-42. Assen: Van Gorcum & Comp. N.V., 1962.

Dorgelo, J.D. De koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid (1818-1859): Een landbouwkundig en sociaal-economisch experiment. Assen: Van Gorcum & Comp. N.V., 1964.

Gezondheidszorg

De Koloniën onderscheidden zich op het gebied van gezondheidszorg in positieve zin. Dat was niet enkel uit filantropie, maar ook om zieke kolonisten snel weer aan het werk te krijgen. Na 1826 hadden alle Koloniën een of twee inwonende geneesheren, een bevoegd apotheker of assistent en vaak ook een gediplomeerde vroedvrouw. Iedere Kolonie had eigen ziekenzalen voor mannen en vrouwen. Een wijkmeester of opzichter was belast met het toezicht op de zindelijkheid, verzorging en orde. De geboden medische zorg was niet gratis: de kolonisten betaalden een verplichte wekelijkse bijdrage via een soort ziekenfonds.

Roelfsema - van der Wissel, H.G. De gezondheidszorg in de Noord-Nederlandse koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid tussen 1818 en 1859. Groningen: H.G. Roelfsema - van der Wissel, 2006.

Bouwkunst

De Koloniën van Weldadigheid hadden in eerste instantie geen eigen bouwstijl of onderscheidende architectuur. De Maatschappij van Weldadigheid werkte in de eerste fase samen met lokale aannemers bij de realisatie van de gebouwen. In de vervolgfases is in de onvrije koloniën wel een duidelijke architectonische structuur herkenbaar die het karakter van deze koloniën nadrukkelijk bepaalt. De belangrijkste transformaties die de rijksinstellingen ondergingen stonden onder leiding van rijksbouwmeesters. Zo is de staatsarchitectuur in Wortel en Merksplas van de hand van Victor Besme (1834-1904). In Ommerschans en Veenhuizen werkten rijksbouwmeesters Johan Frederik Metzelaar (1818-1897) en zijn zoon Willem Cornelis Metzelaar (1849-1918). De hiërarchie binnen de koloniën was duidelijk afleesbaar aan de gebouwen.

Floor, R. Johan Frederik Metzelaar (1818-1897) en Willem Cornelis Metzelaar (1848-1918): Bouwmeesters voor justitie. Rotterdam: Stichting Bonas, 2009.

Floor, R. Architectuur van het recht: Nederlandse justitiegebouwen 1870-1914. Zutphen: Walburg Pers, 2012.

D’Huart, T. Victor Besme: Quelques éléments de biographie. 2006.

Peet, C. van der en G. Steenmeijer, eds. De Rijksbouwmeesters: Twee eeuwen architectuur van de Rijksgebouwendienst en zijn voorlopers. Rotterdam: Uitgeverij 010, 1995.